‘Het is geen gekke naam, maar iedereen denkt door mijn voornaam dat ik een jongen ben’
‘Eigenlijk vind ik mijn naam heel mooi. Kort, krachtig, geen poespas. Mijn ouders kozen hem niet om stoer te doen of om een statement te maken, maar gewoon omdat hij bij mij paste. Toch voelt het soms alsof ik mij elke dag opnieuw moet verantwoorden voor die ene keuze waar ik zelf niets over te zeggen had.
Vanaf het moment dat mijn naam wordt uitgesproken, ontstaat er verwarring. Bij de tandarts wordt mijn naam geroepen en zie ik iemand zoeken naar een jongetje in de wachtkamer. Op schoollijsten, sportclubs en in e-mails word ik standaard aangesproken met ‘hij’. Nieuwe leraren kijken zichtbaar verrast als ik mijn hand opsteek. O, jij bent Mees? Ja. Ik.
Altijd moeten uitleggen
Het zijn vaak kleine momenten, maar ze stapelen zich op. Elke eerste kennismaking begint met hetzelfde gesprek. Mees? Wat bijzonder. Dat is toch een jongensnaam? Dan volgt mijn glimlach, het automatische antwoord, soms een grapje om het ongemak weg te nemen. Ik heb geleerd hoe ik het moet brengen, hoe ik anderen geruststel — terwijl ik degene ben die steeds wordt gecorrigeerd.
Soms vind ik het niet erg. Soms voelt het zelfs als iets unieks. Maar er zijn ook dagen waarop ik het zat ben. Waarop ik geen zin heb om wéér uit te leggen dat meisjes niet altijd een ‘meisjesnaam’ hoeven te hebben. Dat een naam niet bepaalt wie je bent.
Verwachtingen vóór kennismaking
Wat mensen niet altijd beseffen, is dat een naam verwachtingen oproept nog voordat ze je ontmoeten. In mails word ik anders benaderd. In sollicitaties of inschrijvingen ga ik vooraf al ‘de jongen Mees’ zijn. Pas later volgt de correctie. Soms ongemakkelijk, soms met excuses, soms helemaal niet.
Het maakt me bewuster van hoe snel we in hokjes denken. Hoe sterk we vasthouden aan wat we gewend zijn. En hoe een naam — iets ogenschijnlijk simpels — invloed kan hebben op hoe serieus je genomen wordt.
Tussen trots en vermoeidheid
Ik ben trots op mijn naam. Echt. Hij voelt als van mij. Maar trots en vermoeidheid kunnen naast elkaar bestaan. Want het constante corrigeren kost energie. Het idee dat je steeds net even ‘afwijkt’, terwijl je dat zelf helemaal niet zo ervaart.
Toch wil ik mijn naam niet veranderen. Niet verzachten, niet uitleggeriger maken, niet aanpassen om het anderen makkelijker te maken. Misschien is dat wel wat Mees voor mij betekent: leren staan waar je staat, ook als anderen het niet meteen begrijpen.
Meer dan een naam
Dit is geen aanklacht. Het is ook geen groot drama. Het is gewoon mijn dagelijkse realiteit. Een herinnering dat taal, namen en aannames ertoe doen. En dat achter elke ‘verrassing’ gewoon iemand staat die zichzelf al lang kent.
Ik ben Mees. Geen gekke naam. Gewoon de mijne.’