‘Wat een spuuglelijke naam hebben jullie mij gegeven!, schreeuwt mijn puberdochter’

26.05.2026 08:56

‘Wat een spuuglelijke naam hebben jullie mij gegeven!’, schreeuwt mijn puberdochter. Haar gezicht rood, haar armen over elkaar, haar blik die ergens tussen woede en wanhoop in hangt. Ze is dertien en heet Isolde. Mijn dochter. Mijn zorgvuldig gekozen, ooit zo prachtig gevonden, door ons met liefde uitgesproken: Isolde.

En ineens is het een probleem.

Niet zomaar een probleem. Nee, een drama. Een sociaal onrecht. Een naam waarmee je volgens haar “absoluut niet serieus genomen kunt worden op een schoolplein.” Een naam die klinkt “alsof ik in een kasteel woon en elke ochtend met een harp wakker word.”

Ik probeer niet te lachen. Dat maakt het alleen maar erger.

Toen ik zwanger was, was haar naam een van de eerste dingen waar we het over eens waren. Dat was op zichzelf al een wonder. Mijn partner wilde iets klassieks, ik wilde iets bijzonders. Geen Emma, geen Sophie, geen naam die je drie keer op een verjaardag hoort voordat de taart op tafel staat. We wilden iets met geschiedenis. Met karakter. Met een verhaal.

En daar was ze ineens: Isolde.

Ik zag meteen een meisje voor me met donkere ogen en een eigen wil. Een kind dat haar naam zou dragen alsof hij speciaal voor haar was gemaakt. Iets literairs, iets muzikaals. Een naam met een zachte klank en een sterke ruggengraat.

En eerlijk is eerlijk: toen ze geboren werd, paste hij perfect.

Onze kleine Isolde.

Ze groeide op zonder bezwaar. Op de crèche vonden ze het een “bijzondere naam”. Op de basisschool werd hij af en toe verkeerd uitgesproken – “Isol-de?”, “Iesolde?” – maar ze haalde haar schouders op. Tot nu.

Nu is ze dertien en heeft ze besloten dat wij haar leven hebben geruïneerd.

“Waarom kon ik niet gewoon Noor heten?” roept ze. “Of Mila. Of desnoods Lisa.”

Desnoods Lisa.

Daar sta ik dan, moeder van een kind dat haar naam behandelt alsof het een erfelijke aandoening is.

Ik wil haar vertellen dat namen groeien. Dat je soms pas later begrijpt waarom iets bij je hoort. Dat ik zelf jarenlang mijn eigen naam te gewoontjes vond, tot ik ontdekte hoe vertrouwd hij voelde als iemand die met liefde uitsprak.

Maar pubers luisteren niet naar filosofie. Pubers luisteren naar klasgenoten.

Noem me maar anders

Dus luister ik naar haar.

Naar hoe ze vertelt dat een jongen uit haar klas vroeg of ze uit de middeleeuwen kwam. Dat iemand haar “Isolatie” noemde. Dat ze liever onzichtbaar wil zijn dan telkens uitleggen hoe haar naam uitgesproken moet worden.

En ineens zie ik het. Niet mijn mooie keuze van toen, maar haar ongemak van nu.

Dat doet pijn.

Want een naam geven aan een kind voelt als een cadeau. Je wikkelt er verwachtingen in, liefde, hoop, een beetje van jezelf misschien. Maar ergens onderweg wordt dat cadeau van jou afgepakt. Terecht ook. Het is niet meer jouw naam. Het is die van haar.

Dus vroeg ik voorzichtig: “Wil je dat we je anders noemen?” JA, zegt ze. Noem me maar Izzy.

“ Of misschien Isa,” zei ze toen. Alsof ze een compromis sloot met haar eigen identiteit.

En zo gebeurde het dat mijn dochter Isolde ineens Isa werd. Niet officieel. Niet op haar paspoort. Maar thuis, soms. In appjes. Als ze het nodig heeft.

En weet je wat vreemd is? Het voelt niet als verlies.

Het voelt als ouderschap.

Loslaten van het idee dat jouw keuzes voor altijd juist moeten blijven. Begrijpen dat kinderen geen verlengstuk zijn van je smaak, je dromen of je liefde voor middeleeuwse literatuur.

Ze zijn hun eigen mens.

Misschien heet ze over vijf jaar weer vol trots Isolde. Misschien ontdekt ze dan de schoonheid die ik er ooit in zag. Misschien draagt ze hem dan alsnog met die sterke ruggengraat die ik me had voorgesteld.

Of misschien blijft ze gewoon Isa.’