‘Mijn zus vindt dat zij als oudste van het gezin het recht heeft om onze moeder te vernoemen. Waar slaat dat op?’
“Als oudste heb ík het recht om mama te vernoemen.”
Toen mijn zus dat zei, voelde ik iets in mij knappen. Niet omdat ik haar het geluk niet gun. Niet omdat ik per se degene móét zijn die onze moeder vernoemt. Maar omdat het klonk als een claim. Een recht. Alsof geboortevolgorde automatisch bepaalt wie het meeste aanspraak mag maken op iets wat voor mij net zo emotioneel en betekenisvol is.
Ik wist eerlijk gezegd niet eens dat daar ongeschreven regels over bestonden.
In haar hoofd was het blijkbaar logisch. De oudste gaat eerst. De oudste draagt verantwoordelijkheid. De oudste mag tradities voortzetten. Misschien zit daar ook iets cultureels in, iets van vroeger, van families waarin rangorde vanzelfsprekend was. Maar voor mij voelt het anders. Voor mij gaat vernoemen niet over volgorde, maar over verbinding.
Onze moeder is niet méér moeder van haar dan van mij. En ik vind haar naam ook prachtig: Madeleine. Maddie, noemen we haar altijd. Maar ik vind het een chique naam om door te geven mocht ik ooit een dochter krijgen.
Maar niet als het aan mijn zus ligt.
Het idee dat zij “meer recht” zou hebben, schuurt. Alsof mijn band met mama minder telt. Alsof liefde in hiërarchieën te meten is. Terwijl ik juist geloof dat vernoemen een persoonlijk gebaar is — een manier om iemand te eren omdat diegene zo diep in je hart zit, niet omdat je toevallig eerder geboren bent.
Mijn zus is de baas in het vernoemen
Misschien raakt het me ook omdat het voelt als een wedstrijd die ik niet wist dat we speelden. Alsof ik moet vechten voor iets dat voor mij helemaal geen strijd hoort te zijn. Ik wil geen concurrentie tussen zussen over wie mama het meest mag vertegenwoordigen in een naam. Dat idee alleen al maakt me verdrietig.
Tegelijk probeer ik haar te begrijpen. Als oudste heb je vaak een andere positie in het gezin. Je maakt je ouders op een andere manier mee. Jij was er als eerste. Jij droeg misschien meer verantwoordelijkheid. Misschien voelt het voor haar als een symbolische erkenning van die plek.
Maar een plek in het gezin is geen exclusief eigendom.
Wat mij het meest raakt, is dat het gesprek niet eens ging over wat het voor ons bétekent. Het ging over recht. Over wie “mag”. Terwijl ik denk: kunnen we het niet hebben over waarom we het willen? Over wat mama voor ons betekent? Over hoe we haar allebei op onze eigen manier kunnen eren?
Misschien is de oplossing niet zwart-wit. Misschien kunnen we allebei vernoemen. Misschien kan het als tweede naam. Misschien kiezen we ieder een andere vorm. Of misschien besluiten we dat liefde niet in een naam hoeft te worden vastgelegd om echt te zijn.
Wat ik wél weet, is dat ik niet geloof dat geboortevolgorde bepaalt wie het meeste recht heeft op herinnering, op eerbetoon, op liefde.
Onze moeder is van ons allebei.
En als ik haar ooit vernoem, dan doe ik dat niet omdat ik vind dat ik “mag”. Maar omdat het voor mij klopt. Omdat het uit mijn hart komt. En dat kan niemand mij afnemen — oudste zus of niet.