‘De jongensnaam die rondgaat op het schoolplein wordt belachelijk gemaakt en ik begrijp het wel’

06.02.2026 09:16
jongensnaam belachelijk

‘Niet alleen kinderen zijn hard, hoor. Moeders ook. Die kunnen ook roddelen, over bijvoorbeeld een bijzondere jongensnaam. Ik hoor de naam voor het eerst op het schoolplein en ik vind het zielig, maar begrijp de verwarring wel.

“Loem!” Het klinkt als een uitroep, niet als een roepnaam. Een paar ouders lachen zo van: hoe heet hij? Niet hard, niet gemeen misschien, maar wel dat lachje dat blijft hangen. Dat lachje waarvan je weet: dit gaat niet meer weg.

Loem.

Ik vind het zielig. Meteen. Automatisch. Want ik zie het jongetje al voor me dat later thuiskomt en vraagt waarom iedereen zo doet. Of dat hij het niet vraagt, maar het inslikt. En tegelijk – en dat is het lastige – begrijp ik het ook.

Niet omdat Loem een slechte naam is. Dat is het niet. Maar omdat hij anders is. En anders zijn is op een schoolplein nooit fijn, toch?

Namen zijn daar geen abstract idee, ze zijn munitie. Rijm, klank, associatie: alles wordt getest. Eén rare klank en je ligt open. Loem klinkt zacht, een beetje rond, bijna als een woord dat al iets betekent. Alsof het ergens tussen “loom” en “bloem” zweeft. Het nodigt uit. Tot grapjes, tot verdraaiingen, tot herhaling. En kinderen voelen dat feilloos aan.

Ik merk dat ik mezelf betrap op iets ongemakkelijks: als ik eerlijk ben, snap ik waarom deze naam blijft plakken. Het is geen populaire Finn of Sem.

Ze vinden deze jongensnaam belachelijk

Ouders zeggen vaak: “Ze groeien er wel in.” En soms is dat zo. Maar soms groeit niet de naam, maar het kind eromheen een beetje krom. Omdat hij leert dat zijn naam altijd eerst komt. Voor hij iets mag zeggen. Voor hij mag meedoen.

Ik voel medelijden, maar geen verontwaardiging. Geen boosheid richting die andere kinderen. Ze zijn niet wreed, ze zijn nieuwsgierig en ongeremd en op zoek naar houvast. Humor is hun manier om te testen wie waar staat. En Loem staat nu even in het midden.

Misschien wordt hij later de Loem die iedereen kent. De Loem die sportief is, of grappig, of juist zo zelfverzekerd dat niemand het nog aandurft. Misschien wordt zijn naam straks iets eigens, iets stoers zelfs. Dat kan. Dat hoop ik.

Maar op dit moment is hij gewoon een jongetje met een naam die net te veel doet. En dat vind ik zielig. Dat al die moeders ook een beetje gek reageren als hij wil spelen bijvoorbeeld? ‘Met wie wil je spelen? Loem? Loem?’ Ja, denk ik dan. Zo heet hij. Hou er nou maar over op.

Arme jongen

Als ik daar sta en het lachje hoor, wil ik eigenlijk twee dingen tegelijk doen. Het jongetje een arm om zijn schouder slaan. En de ouders zachtjes zeggen: ik snap waarom jullie deze naam mooi vonden. Echt. Maar ik snap dit ook.

En dat is misschien wel het meest ongemakkelijke: dat beide waar kunnen zijn. Dat iets lief en goedbedoeld kan zijn, en toch lastig. Dat je iets zielig kunt vinden, zonder een schuldige aan te wijzen.

Loem zal hier doorheen komen. Dat doen de meesten. Maar ik hoop dat hij later weet: het lag niet aan hem. En ook niet echt aan zijn naam. Het lag aan dat korte moment in een mensenleven waarin alles wat anders klinkt, even te hard wordt gehoord.’