‘Toen ik zwanger was, voelde het kiezen van jongensnamen als een serieuze taak. Geen “we zien wel”, maar eindeloze lijstjes, betekenissen opzoeken en hardop uitspreken of een naam wel zou passen bij een volwassen man. Bij elke zoon was ik overtuigd: dit is ‘m. Tot ze ouder werden. En ik merkte dat namen en karakters soms langs elkaar heen leven.
Neem mijn oudste zoon, Alexander. Een naam met gewicht. Historisch, krachtig, bijna koninklijk. Zo’n naam waarvan je denkt: dat wordt een jongen die stevig in zijn schoenen staat, het voortouw neemt, misschien zelfs een tikkeltje dominant is. In werkelijkheid is Alexander introvert, gevoelig en voorzichtig. Hij kijkt eerst, praat later. In groepen houdt hij zich op de achtergrond en hij bloeit pas echt op in één-op-één gesprekken. De naam Alexander is niet verkeerd, maar hij klinkt vaak groter dan hij zich voelt.
Mijn tweede zoon heet Milo. Een zachte, speelse naam, vond ik. Modern, vriendelijk, een beetje dromerig. Ik zag een creatief kind voor me, iemand die rustig in een hoekje zou bouwen of tekenen. Maar Milo is allesbehalve rustig. Hij is luid, aanwezig en barst van het zelfvertrouwen. Hij is degene die nieuwe kinderen aanspreekt op het schoolplein en overal als eerste “ja!” op roept. Eerlijk? Hij had Alexander beter gedragen dan Alexander zelf.
Namen passen niet bij mijn zoons
Dan mijn derde zoon, Thomas. Een veilige keuze. Klassiek, tijdloos, niemand heeft er echt een uitgesproken beeld bij. En gek genoeg is hij precies dat: stabiel. Thomas is de middenweg, de bemiddelaar, de jongen die zich overal wel redt. Zijn naam past hem bijna eng goed. Niet te zwaar, niet te licht. Soms denk ik: zie je wel, zo simpel kan het zijn.
En dan is er mijn jongste. Die ene naam waar mensen altijd even van opkijken: Rocky. Ja, echt. We wilden iets unieks, iets wat eruit sprong. Een naam voor een jongen die vast vol energie zou zitten, ongeremd, stoer, misschien zelfs een tikkeltje wild. Maar Rocket is verlegen. Intens verlegen. Hij praat zacht, verstopt zich achter mijn been bij onbekenden en observeert liever dan dat hij meedoet. Op verjaardagen moet hij wennen, op school duurt het even voordat hij zijn plek inneemt. Zijn naam roept beelden op van snelheid en lef, terwijl hij juist bedachtzaam en voorzichtig is. Soms voelt het bijna alsof hij elke dag moet uitleggen dat hij niet is wat zijn naam belooft.
En ik dacht, we doen even cool, met die laatste knul.
Begrijp me niet verkeerd: ik zou hun namen niet zomaar willen veranderen. Ze horen bij hen, zijn onderdeel van hun verhaal geworden. Maar als ik eerlijk ben, denk ik soms dat ik ze anders had verdeeld als ik hun karakters toen al had gekend. Alexander en Milo omwisselen. Rocky een naam geven die minder schreeuwt en meer fluistert.
Tegelijkertijd vraag ik me af of dat niet juist het mooie is. Dat een naam niet alles zegt. Dat een verlegen jongen Rocky kan heten en daarmee laat zien dat kracht ook stil kan zijn. Misschien groeien ze niet alleen in hun naam, maar groeit hun naam ook een beetje mee met hen.
Maar ja—die gedachte blijft. Vier jongens, vier namen. Had ik ze maar omgewisseld. Al was het maar in mijn hoofd.’